Wet hervorming kindregelingen: de tussenstand

beheer

De op 1 januari 2015 in werking getreden wet hervorming kindregelingen is nu ruim een half jaar van kracht. De gevolgen van deze wet hebben al heel wat stof doen opwaaien in ‘alimentatieland’.

Nog even kort de belangrijkste wijziging. De alleenstaande ouderkorting is weggevallen, hier is er een hoger kindgebondenbudget voor teruggekomen. Bij de berekening van de behoefte van de kinderen (een eerste uitgangspunt bij het vaststellen van de kinderalimentatie) wordt het kindgebondenbudget in aftrek genomen waarna het eigen aandeel van de ouders resteert. Als gevolg van het hogere kindgebondenbudget is het eigen aandeel van de ouders verlaagd of zelfs in sommige gevallen op nul gekomen. Nu dit als effect heeft dat de alimentatiegerechtigde in veel gevallen onder aan de streep minder overhoudt en dat de overheid in sommige gevallen zelfs het gehele deel van de kinderalimentatie voldoet terwijl er bij de alimentatieplichtige wel draagkracht aanwezig is, zijn de rechtbanken het afgelopen half jaar het lang niet allemaal met elkaar eens geweest. Zo kon het gebeuren dat in een soortgelijke kwestie de rechtbank Den Haag een heel andere uitspraak deed dan de rechtbank Gelderland of de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Sommige rechtbanken vonden de uitwerking van de wet hervorming kindregelingen tot onjuiste uitkomsten leiden waardoor zij de oude lijn hanteerden waarbij het kindgebondenbudget niet in zijn geheel van de behoefte van de kinderen werd afgetrokken maar het nieuwe deel van het kindgebondenbudget, namelijk de alleenstaande ouderkop, meengenomen wordt in het inkomen van de alimentatiegerechtigde. Andere rechtbanken volgden wel de lijn van de Expertgroep en hanteerden de wet strikt zodat het gehele nieuwe kindgebondenbudget van de behoefte werd afgetrokken. Ook zijn veel alimentatieprocedures door verschillende rechtbanken lang aangehouden in afwachting van duidelijkheid op dit punt.

De rechtsongelijkheid die hierdoor is ontstaan, waardoor je afhankelijk van in welk deel van het land je woont je een bepaalde uitspraak krijgt, is uiteraard niet wenselijk in een rechtstaat als Nederland.

Het gerechtshof Den Haag heeft in een dergelijke zaak waar het nieuwe kindgebondenbudget een cruciale rol speelt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, het hoogte rechtscollege in Nederland, gesteld. Dit houdt in dat  alvorens een beslissing in die zaak wordt genomen door het gerechtshof, de Hoge Raad zich eerst uit moet laten over dit onderwerp. Op deze wijze zal duidelijkheid ontstaan hoe met vooral de alleenstaande ouderkop in het kindgebondenbudget omgegaan moet worden.

Een antwoord op deze door het gerechtshof Den Haag gestelde vragen wordt niet eerder dan tegen het einde van dit kalenderjaar verwacht. Alle rechtbanken en gerechtshoven hebben voor de tussenliggende tijd afgesproken dat in het kader van de rechtsgelijkheid het advies van de Expertgroep zal worden toegepast zodat het gehele kindgebondenbudget inclusief de alleenstaande ouderkop van de behoefte van de kinderen wordt afgetrokken.

Kortom, wordt vervolgd…

Meer weten over personen- en familierecht?