Veroordeeld en ontslagen

beheer

Een werknemer heeft een strafbaar feit gepleegd. Hij wordt eerst in voorlopige hechtenis genomen. Als gevolg hiervan kan hij niet verschijnen op de werkvloer. Vervolgens wordt de werknemer door het openbaar ministerie vervolgd en door de rechter veroordeeld tot enkele jaren gevangenisstraf. In verband daarmee ontslaat de werkgever de werknemer op staande voet. Een volstrekt rechtsgeldig ontslag op staande voet, zou u toch denken.

Enige tijd geleden heeft de Hoge Raad een uitspraak gedaan in een zaak waar dit speelde.
De werknemer in kwestie werd verdacht van het plegen van ontucht, waarna hij in voorlopige hechtenis werd genomen. Omdat de werknemer door die voorlopige hechtenis niet in staat was zijn werkzaamheden te verrichten, kon de werkgever direct stoppen met de loonbetalingen. De hoofdregel luidt immers: “geen werk, geen loon” .

De werknemer werd veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf. Omdat hij niet in hoger beroep was gegaan, werd zijn veroordeling onherroepelijk. Hierop heeft de werkgever de werknemer op staande voet ontslagen. De werkgever was daarbij, ter onderbouwing van dat ontslag, van mening dat de gedragingen (het plegen van het zedendelict) onaanvaardbaar was. Voorts vond de werkgever dat het vertrouwen in de werknemer onherstelbaar was geschaad. De werknemer was het niet eens met het ontslag op staande voet. Hij vorderde voortzetting van de loonbetalingen vanaf het moment dat hij weer op vrij voeten kwam en hij zijn werkzaamheden dus weer kon hervatten.

In die procedure stond de vraag centraal in hoeverre een gevangenisstraf en het daaruit voortvloeiende werkverzuim van een werknemer een ontslag op staande voet rechtvaardigt. De rechter oordeelde dat het maar net van alle omstandigheden van het geval afhangt of een werknemer op staande voet kan worden ontslagen. Het is zeker niet zo dat werkverzuim wegens een gevangenisstraf steeds een dringende reden voor een ontslag op staande voet oplevert. Er is dus geen sprake van een automatisme.

Omdat in dit specifieke geval het door de werknemer gepleegde strafbare feit zich volledig in de privésfeer heeft voltrokken (en geen verband hield met het werk) en op geen enkele wijze is gebleken dat het delict enige negatieve invloed heeft gehad op het functioneren van werknemer en de werkgever ook geen directe schade heeft geleden door het handelen (hij hoefde immers het loon niet door te betalen) werd het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig geacht. Ook andere omstandigheden zullen bij het beantwoorden van de vraag tegen elkaar afgewogen moeten worden, zoals de duur van het dienstverband en de leeftijd van werknemer (in verband met zijn kansen op de arbeidsmarkt). De ernst van het strafbare feit en de te verwachten onrust op de werkvloer in het geval de werknemer terugkeert, doen hier dus in beginsel niets aan af.

Indien er wel een verband valt te leggen tussen het delict en het werk, kan het ontslag op staande voet wel degelijk rechtsgeldig zijn gegeven. Denk bijvoorbeeld aan een medewerker van een bank in een vertrouwensfunctie die zich in de privésfeer schuldig maakt aan ernstige vermogensdelicten. Of het geval van een fiscalist die zich in de privésfeer schuldig maakt aan fiscale fraude.  Indien de veroordeelde werknemer in de hiervoor geschetste zaak docent op een school was geweest, dan zou het ontslag op staande voet wegens ontucht waarschijnlijk wel terecht zijn geweest.

Een werkgever dient zich derhalve te realiseren dat het enkele feit dat een werknemer zich schuldig maakt aan werkverzuim wegens het uitzitten van een gevangenisstraf op zich onvoldoende is om een rechtsgeldig ontslag op staande voet te geven.