Matiging van de ontslagvergoeding

beheer

In het kader van een procedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische omstandigheden kan de rechter de hoogte van de ontbindingsvergoeding matigen indien de werkgever niet, althans in beperkte mate, in staat is tot het betalen ervan. Dit wordt het “habe nichts” cq “habe wenig” verweer genoemd.

In beginsel is het echter zo dat bij een ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische omstandigheden aanspraak kan maken op een vergoeding op basis van factor C=1 van de kantonrechtersformule: A (gewogen aantal dienstjaren) x B (maandsalaris inclusief vaste toeslagen) x C (correctiefactor) = vergoeding. Een beroep op “habe nichts” of “habe wenig” kan worden gedaan, indien uitbetaling van een vergoeding op basis van C=1 tot desastreuze gevolgen voor de onderneming en daarmee voor het resterende personeel zal leiden. Daarbij valt onder andere te denken aan het risico van een faillissement indien een dergelijke vergoeding aan één of meer werknemers zou moeten worden betaald.

Recentelijk heeft een kantonrechter geoordeeld dat een werkgever zich niet met recht op het standpunt kan stellen dat hij een werknemer wegens bedrijfseconomische redenen geen ontslagvergoeding kan betalen in het geval dat de managementfees die de directie ontvangt niet, dan wel onvoldoende zijn gematigd. Wat was het geval? De werkgever verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Dit vanwege een sterke omzetdaling door de kredietcrisis en het uitblijven van effect van andere saneringsmaatregelen. De werkgever stelde daarbij dat hij vanwege de slechte financiële situatie waarin de onderneming zich bevond niet in staat was om een ontbindingsvergoeding te betalen. Oftewel, de werkgever beriep zich op “habe nichts”.

De kantonrechter oordeelde dat de werkgever niet in staat was om een vergoeding op basis van C=1 te betalen. Dit gelet op de slechte financiële positie van het bedrijf. Echter, de kantonrechter oordeelde tevens dat dit niet betekende dat er geen enkele vergoeding aan de werknemer zou kunnen worden uitbetaald. De onderneming had namelijk, op het moment dat de omzet daalde, de fee van de directie in relatief beperkte mate verlaagd. De kantonrechter kwam tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst en kende daarbij een vergoeding aan de werknemer toe op basis van C=0,5. Het “habe nichts” werd dus verworpen, maar op basis van het “habe wenig” werd de vergoeding toch gematigd.

Deze uitspraak staat niet op zichzelf. Ook in mijn eigen praktijk maak ik het regelmatig mee dat een ontbindingsvergoeding in dit soort gevallen wordt gematigd. Een beroep op “habe nichts” wordt niet snel gehonoreerd, maar “habe wenig” relatief veel meer. Het is dan ook zeer de vraag of de regel dat in dit soort gevallen in beginsel een vergoeding op basis van C=1 geldt. Het zou wel eens meer uitzondering dan standaard(regel) kunnen zijn. Het is in ieder geval aan te raden dat een werkgever in dit soort zaken zich beroept op het “habe nichts” en “habe wenig” beginsel.

Veel werkgevers kiezen er overigens voor om een ontslagvergunning bij het UWV Werkbedrijf aan te vragen. In dat geval komt er geen kantonrechter aan te pas en kan er dus ook geen ontbindingsvergoeding worden toegewezen. Indien de ontslagvergunning wordt verleend en de arbeidsovereenkomst wordt door opzegging rechtsgeldig beëindigd,  dan kan de werknemer echter een kennelijk onredelijk ontslagprocedure starten. Dit om alsnog een vergoeding te verkrijgen. De praktijk leert dat de vergoeding bij deze zogenaamde kennelijk onredelijk ontslagprocedures vaak (veel) lager is dan de vergoeding bij een ontbindingsprocedure.

Heeft u, als werkgever of werknemer, nog vragen, dan kunt u zich uiteraard tot ons kantoor wenden. Wij staan namelijk in arbeidszaken zowel werkgevers als werknemers bij.