Vakantiedagen: wat kan je ermee?

beheer

In beginsel heeft iedere werknemer in Nederland recht op vakantiedagen. Vooral in de zomermaanden maken werknemers hier dankbaar gebruik van om van een welverdiende vakantie te genieten. Maar in economisch minder gunstige tijden kiezen meer werknemers er voor om hun vakantie in te korten of om zelfs helemaal niet op vakantie te gaan. Wat gebeurt er dan met uw niet-genoten vakantiedagen? Krijgt u deze uitbetaald of mag u deze meenemen naar volgend jaar? In hoeverre heeft de werkgever zeggenschap over de vakantiedagen?

De Nederlandse wet heeft voor alle werknemers een minimum gesteld voor het aantal vakantiedagen. Het Burgerlijk Wetboek bepaalt (kort gezegd) dat een werknemer over ieder jaar aanspraak op vakantie heeft van ten minste vier maal de overeengekomen arbeidsduur per week. Dit bekent dat een werknemer met een fulltime dienstverband van 40 uur per week, recht heeft op minimaal 20 vakantiedagen per jaar. Bij een parttime dienstverband wordt dit naar rato berekend.

De wet maakt onderscheid tussen de voornoemde wettelijke vakantiedagen en de zogenaamde ‘bovenwettelijke vakantiedagen’. Met het laatste wordt gedoeld op het aantal vakantiedagen boven het wettelijk minimum aantal vakantiedagen. Zijn partijen bijvoorbeeld overeengekomen dat de werknemer met een fulltime dienstverband jaarlijks 25 vakantiedagen heeft, dan zijn dit 20 wettelijke en 5 bovenwettelijke vakantiedagen.

Ten aanzien van de wettelijke vakantiedagen, bepaalt de wet dat een werknemer geen afstand kan doen van zijn recht op vakantie. Ook kunnen deze niet-genoten vakantiedagen niet worden uitbetaald aan het einde van het jaar. De wettelijke vakantiedagen worden in beginsel naar het volgende jaar meegenomen.

Ten aanzien van de bovenwettelijke vakantiedagen gelden andere regels. Niet-genoten bovenwettelijke vakantiedagen mogen in beginsel aan de werknemer worden uitbetaald. Ook mogen partijen overeenkomen dat de bovenwettelijke vakantiedagen komen te vervallen als zij niet in het betreffende jaar worden opgenomen. Dit is niet mogelijk bij de wettelijke vakantiedagen.

Partijen zijn vrij om bijvoorbeeld overeen te komen dat slechts een beperkt aantal vakantiedagen naar het volgende jaar kan worden meegenomen of dat de niet-genoten vakantiedagen aan het einde van het jaar komen te vervallen. Ook hierbij dient echter onderscheid gemaakt te worden tussen de wettelijke en de bovenwettelijke vakantiedagen.

Stel dat partijen zijn overeengekomen dat niet-genoten vakantiedagen aan het einde van het jaar komen te vervallen. Bij bovenwettelijke vakantiedagen geldt dan dat deze ook echt komen te vervallen. Zonder andersluidende afspraak tussen partijen kan de werknemer ook geen aanspraak maken op uitbetaling van deze vakantiedagen.

Bij de wettelijke vakantiedagen is dit anders. De niet-genoten vakantiedagen kunnen weliswaar niet worden opgenomen in het volgende jaar, maar ze komen niet definitief te vervallen! De werknemer kan immers geen afstand doen van zijn recht op (wettelijke) vakantiedagen. De wet bepaalt dat een werknemer alsnog aanspraak kan maken op geldelijke compensatie van de niet-genoten (wettelijke) vakantiedagen. Deze vordering van de werknemer kan uitsluitend opgeëist worden op het moment dat het dienstverband van de werknemer eindigt. Deze vordering verjaart overigens na een periode van vijf jaren, te rekenen vanaf het moment van opeisbaarheid ervan.

Het bovenstaande betreft slechts een schets van enige regels omtrent het recht op vakantiedagen. De praktijk blijkt doorgaans gecompliceerder, omdat partijen een bepaalde mate van vrijheid genieten ten aanzien van het recht op vakantiedagen en eventuele beperkingen op dit recht. Elke situatie is uniek en zal steeds als zodanig behandeld moeten worden.