Kennelijk onredelijk ontslag

beheer

Een arbeidsovereenkomst kan eindigen door ontbinding door de kantonrechter. Ook kan de arbeidsovereenkomst tot een einde komen door opzegging door de werkgever, nadat hij daartoe een ontslagvergunning van het UWV Werkbedrijf heeft verkregen. Echter, het kan zijn dat het ontslag (de opzegging) kennelijk onredelijk is. De wet bepaalt dat de rechter in dat geval een schadevergoeding aan de werknemer kan toekennen.

Van kennelijk onredelijk ontslag kan bijvoorbeeld sprake zijn indien geen of een valse ontslaggrond is gegeven. Of het geval dat er sprake is van onevenredigheid tussen de gevolgen voor de werknemer en het belang van de werkgever. In geval van kennelijk onredelijk ontslag kan aan de werknemer een schadevergoeding worden toegekend. De vraag rijst dan hoe die vergoeding moet worden vastgesteld. In de praktijk zagen we dat rechters op verschillende manieren de vergoeding vaststelden. Vaak werd hiervoor de zogenaamde Kantonrechtersformule toegepast, een rekenformule die rechters gebruiken bij een procedure waarbij ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt gevraagd. Sommige rechters waren van mening dat het ontslag al kennelijk onredelijk was, omdat er geen vergoeding was betaald op basis van de kantonrechtersformule. Sommige rechters pasten daarop een korting van 30% toe. Die korting hield weer verband met, bijvoorbeeld, het feit dat de ontslagvergunningen-procedure bij het UWV Werkbedrijf doorgaans langer duurt dan een ontbindingsprocedure en ook omdat bij opzegging een opzegtermijn in acht moet worden genomen. Een opzegtermijn speelt bij ontbinding weer geen rol. 
 
De vergoeding bij kennelijk onredelijk ontslag
De vraag is op een gegeven moment gerezen of de vergoeding in een kennelijk onredelijk ontslag procedure wel aan de hand van de kantonrechtersformule mag worden vastgesteld. Hierover bestonden zeer vele verschillende meningen. De “voorstemmers” waren onder meer van mening dat dit de rechtszekerheid zou bevorderen. Die vraag is op 27 november jl. (eindelijk) door de Hoge Raad (HR) beantwoord. Volgens de HR is een ontslag niet reeds ‘kennelijk onredelijk', omdat er door de werkgever geen vergoeding betaald is. De rechter moet volgens de HR naar alle omstandigheden van het geval kijken en dus niet alleen naar de vraag of er wel of geen ontslagvergoeding betaald is. Verder is de HR van mening dat, ook als een rechter eenmaal heeft vastgesteld dat het ontslag kennelijk onredelijk is, de kantonrechtersformule geen goede berekeningsmethode om de vergoeding vast te stellen. Er moet, zo stelt de HR, meer gekeken worden naar de daadwerkelijke schade die de werknemer geleden heeft. Hoe in de praktijk de daadwerkelijk geleden schade wordt vastgesteld is weer afwachten.
 
Gevolgen van de uitspraak
Deze uitspraak leidt er volgens mij onder meer toe dat het voor werknemers niet makkelijker is geworden na de UWV procedure een vergoeding te krijgen van de kantonrechter. Verder verwacht ik dat steeds meer werknemers, zodra de werkgever bij het UWV Werkbedrijf een ontslagvergunning heeft aangevraagd (en voordat hij die heeft gekregen), zich tot de kantonrechter zullen richten met het verzoek te arbeidsovereenkomst te ontbinden en een vergoeding toe te kennen. In dat geval is er dus sprake van een vergoeding bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst en kan de kantonrechter de kantonrechtersformule weer wel toepassen. Kortom: het is afwachten hoe zich dit alles in de toekomst gaat ontwikkelen.