Wet Bodembescherming ingrijpend gewijzigd

beheer

De wettelijke regels om bodemverontreiniging aan te pakken zijn in 2006 ingrijpend gewijzigd. Daar was ook behoefte aan. De oude regels bleken in de praktijk op belangrijke onderdelen niet aan te sluiten bij de praktijk of bleken domweg onuitvoerbaar.
Zo is de saneringsdoelstelling gewijzigd van ‘multifunctioneel’ naar ‘functiegericht’ saneren. Dit betekent concreet dat de vervuiling van een havengebied niet meer hoeft te worden teruggesaneerd tot de achtergrondwaarde van een natuurgebied maar uitsluitend tot een niveau dat in overeenstemming is met de functie van de bodem (bedrijventerrein). Dit is aanmerkelijk minder streng en dus goedkoper.

Ook het wettelijke begrip ‘urgentie’ komt niet meer terug bij de bepaling van de termijn waarbinnen moet zijn gesaneerd. In plaats daarvan moet het bevoegd gezag (provincie of grote gemeente) in het geval er sprake is van ‘een geval van ernstige verontreiniging’ moeten vaststellen ‘of het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging zal leiden tot zodanige risico’s voor mens, dier of plant, dat spoedige sanering noodzakelijk is’. De noodzaak tot een spoedige sanering komt dus in de plaats van de ‘urgentie’. Deze wijziging komt tegemoet aan de wens uit de praktijk om bij de prioriteitstelling niet alleen milieuhygiënische criteria doch ook andere criteria te laten meewegen. Het is nu een ‘maatschappelijke noodzaak’ geworden. Het bevoegd gezag moet in een aantal gevallen opnieuw en alsnog bepalen wanneer spoedige sanering noodzakelijk is met vermelding van het tijdstip waarvoor met de sanering moet zijn begonnen. Dit geldt voor die vervuilingen waarbij in de (oude) urgentiebeschikkingen een datum is genoemd die ligt na 2010.

Geheel nieuw is dat de Wet bodembescherming de mogelijkheid biedt om in die gevallen van bodemverontreiniging waar geen risico voor mens, plant en dier aanwezig is toch maatregelen op te leggen. Deze maatregelen beschermen de bodem en dienen verdere verontreiniging te voorkomen. Zo kunnen eigenaren, erfpachters of gebruikers beheersmaatregelen opgelegd krijgen met betrekking tot monitoring.

Het saneringsbevel vervalt. In plaats daarvan krijgt de eigenaar van een bedrijfsterrein een wettelijke plicht opgelegd om tot sanering over te gaan indien in een beschikking het bevoegd gezag heeft vastgesteld dat “een spoedige sanering noodzakelijk is”. Onder een bedrijfsterrein wordt uitdrukkelijk niet verstaan een landbouwbedrijf!

De saneringsplicht kan niet worden ontdoken door verkoop / vervreemding. In dat geval blijft de saneringsverplichting rusten op de (oude) eigenaar / vervreemder tot het tijdstip waarop de opvolgende eigenaar financiële zekerheid voor de saneringskosten heeft gesteld en daarmee door het bevoegd gezag is ingestemd.

De saneringsplicht kan bestuursrechtelijk worden gehandhaafd d.m.v. dwangsom en/of bestuursdwang. Als tegenwicht is er een subsidieregeling waarop eigenaren die worden geconfronteerd met een saneringsplicht een beroep kunnen doen.

Een belangrijke verbetering is het mogelijk maken van deelsaneringen mits de mogelijkheid open blijft om de resterende verontreiniging op een later tijdstip alsnog te saneren. In de praktijk bleek het gebrek aan flexibiliteit fnuikend voor een slagvaardige bodemsanering van gedeelten. Het was alles of niets met als gevolg: niets! Zeker als er sprake was van verschillende eigendomsverhoudingen bleek de bereidheid tot (financiële) deelname aan 
bodemsanering niet groot en waren het vaak mede-eigenaren die met bezwaar en beroepsprocedures een snelle sanering van een gedeelte van de vervuiling frustreerden.

Kortom: de wet is ingrijpend gewijzigd voor zover het betreft de publiekrechtelijke kant van de bodembescherming en sanering en schept een publiekrechtelijke saneringsplicht voor bedrijfsterreinen.

De civielrechtelijke kant blijft ongewijzigd en daarin is de rechtspraak redelijk uitgekristalliseerd.