Het Besluit Luchtkwaliteit maakt vergunningverlening bouwprojecten onzeker

beheer

Ter uitvoering van een Europese richtlijn heeft Nederland wetgeving opgesteld die dient ter bescherming van haar inwoners tegen de risico’s van luchtverontreiniging. Zoals wel vaker het geval is, gaat Nederland vervolgens bij de invulling van die regels verder dan Europa voorschrijft. Gevolg daarvan is wel dat inwoners in andere delen van Europa hoofdpijn hebben van de luchtverontreiniging terwijl in Nederland de hoofdpijn vooral wordt veroorzaakt door de Nationale invulling van die richtlijn ter bestrijding van die luchtverontreiniging. Dat het hier geen ‘ver van ons bed show’ betreft moge blijken uit enige rechtelijke uitspraken van onder meer de Raad van State. Deze hebben geleid tot de stopzetting van een aantal grote bouwprojecten en infrastructurele projecten. Zo werd de goedkeuring van het bestemmingsplan rondom Amsterdam CS door de Raad van State vernietigd omdat de wettelijk maximale grenswaarden voor de luchtkwaliteit al waren overschreden. De maximale grenswaarden hadden in acht genomen moeten worden. Ook al draagt het project waarvoor de vergunning is aangevraagd slechts marginaal bij aan de overschrijding van de grenswaarden, dan nog moet de vergunning worden geweigerd. Ook uit enkele uitspraken van lagere rechters bleek dat een beroep op het Besluit Luchtkwaliteit de vergunningaanvragers voor onoverkomelijke problemen plaatsten. De vergunningen werden niet verleend of verleende vergunningen werden geschorst en/of vernietigd.

Ook de grootscheepse reconstructie van de binnenstad van Utrecht (Hoog Catharijne, NS gebied en Jaarbeurs) kan als gevolg van het besluit Luchtkwaliteit jarenlange vertragingen gaan oplopen. Om dit te voorkomen heeft de gemeente Utrecht besloten om de lopende bestemmingsplanprocedures voor de binnenstad te stoppen en een nieuwe andersoortige procedure te starten. Of dit succesvol is, zal moeten blijken. Ook is als concrete maatregel ter vermindering van de luchtverontreiniging de maximum snelheid op de ring Utrecht verlaagd naar 80 kilometer per uur.

Ook kleine(re) bouwprojecten die een verkeersaantrekkend effect veroorzaken zoals een kantorencomplex, een brandstofverkooppunt of een parkeergarage kunnen als gevolg van het Besluit Luchtkwaliteit nodeloos jaren worden vertraagd. Vandaar dat er in het afgelopen jaar vanuit het bedrijfsleven en door de overheden zelf druk is uitgeoefend op de politiek om deze rigide wetgeving te versoepelen. Dit heeft geleid tot een aanpassing van het Besluit in augustus 2005.

Belangrijkste wijziging is nu dat het mogelijk wordt om (bouw)projecten die leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit te kunnen salderen met samenhangende maatregelen of optredende effecten die een verbetering van de luchtkwaliteit tot gevolg hebben. Deze saldomethode zal wel naar tijd, plaats en inhoud moeten worden toegepast. Zo zal de aanleg van een rondweg weliswaar de luchtkwaliteit nabij die rondweg verslechteren doch in de woonkern zal er sprake zijn van een aanmerkelijke verbetering van de luchtkwaliteit. De aanleg van een parkeergarage voor een zogenaamd transferium kan het autoverkeer naar de stad zelf verminderen. Ook de verplaatsing van een fabriek moet niet alleen worden beoordeeld op de uitstoot van vervuilende emissies op de nieuwe locatie. Ook de oude situatie moet worden meegewogen in de saldering. Ook andere compenserende maatregelen die de gemeente treft ter vermindering van de luchtvervuiling kunnen in het vervolg worden meegewogen bij de beoordeling van de vergunningverlening van een concreet project. Vandaar dat de 80 km grens op autosnelwegen rondom de vier grote steden heel snel is ingevoerd. Het is een maatregel die moet voorkomen dat projecten in en rond stad definitief op slot gaan.

Of de wijziging van het Besluit Luchtkwaliteit de toets der kritiek kan doorstaan zal moeten blijken. De Raad van State zal dit als hoogste rechterlijke instantie moeten bepalen. Destijds oordeelde de Raad van State in 1992 dat een door het Ministerie van Landbouw uitgedokterde ‘ecologische richtlijn’ onthoudbaar was. Dit betrof een salderingssysteem voor verzurende ammoniakemissies van de intensieve veehouderij. Deze ecologische richtlijn werd in strijd met de wet geacht. Kort daarop kwam er een noodwet, de Interim-wet Ammoniak en Veehouderij, die alsnog hetzelfde doel, saldering van emissies, minutieus ging regelen. Wellicht herhaalt de geschiedenis zich en blijft de vergunningverlening voor vele bouwprojecten een ongewisse zaak. Tijdige inhuur van deskundige juridische adviseurs kan daarbij in ieder geval voorkomen dat de inhoud van de vergunningaanvraag zelf al bestempeld kan worden als het ‘aandragen van je eigen brandhout’