Niet naleven huwelijkse voorwaarden

beheer

De meeste mensen trouwen in gemeenschap van goederen. Dit houdt in dat alle goederen en schulden van de echtgenoten gezamenlijk zijn en dat zij ook over en weer aansprakelijk zijn voor elkaars schulden. Bij de scheiding worden alle goederen bij helfte tussen de echtgenoten verdeeld.

Een kleiner gedeelte van de echtparen kiest ervoor om op huwelijkse voorwaarden te trouwen. Deze huwelijkse voorwaarden kunnen grofweg worden onderscheiden in drie vormen. De eerste vorm en meest gebruikelijke vorm zijn de huwelijkse voorwaarden waarin een verrekeningsbeding voorkomt. Dit beding houdt in dat de echtgenoten aan het einde van elk jaar moeten berekenen welk deel van hun inkomen zij na het betalen van de kosten van de huishouding hebben overgehouden. Dit deel van het inkomen, de zogenaamde onverteerde inkomsten, moeten dan bij helfte tussen de echtgenoten worden verdeeld. De tweede vorm betreft de huwelijkse voorwaarden waarbij enkel een beperkte gemeenschap ontstaat. Zo kan bepaald worden dat alleen de inboedelgoederen of de onroerende goederen gemeenschappelijk eigendom zullen zijn. De derde vorm van huwelijkse voorwaarden wordt ook wel koude uitsluiting genoemd. Dit houdt in dat er helemaal geen gemeenschappelijk vermogen ontstaat. Iedere echtgenoot heeft en behoudt zijn eigen vermogen. Reden om te kiezen voor de tweede en derde vorm van huwelijkse voorwaarden is vaak dat de echtgenoten willen voorkomen dat zij over en weer aansprakelijk worden voor elkaars schulden. Een andere reden kan ook bescherming van het familievermogen zijn.

Na het opstellen van de huwelijkse voorwaarden, inhoudende een heel beperkte gemeenschap of koude uitsluiting, denken de echtgenoten vaak dat zij “veilig” zijn. Uit de jurisprudentie is echter gebleken dat dit een schijnveiligheid kan zijn. Ik zal dit verder uitleggen. Huwelijkse voorwaarden waarin koude uitsluiting of een beperkte gemeenschap is overeengekomen, zouden tot gevolg moeten hebben dat als de ene echtgenoot een goed betaalt dat helemaal of voor de helft van de andere echtgenoot is, deze laatste de koopprijs terug moet betalen. Dit is niet altijd het geval. In verschillende arresten heeft de Hoge Raad dit al duidelijk gemaakt. Recentelijk heeft de Hoge Raad dit standpunt nog weer bevestigd.

Ik zal de casus van het laatste arrest hieronder vereenvoudigd weergeven. De man en de vrouw zijn in 1971 getrouwd op huwelijkse voorwaarden inhoudende koude uitsluiting. Op 3 april 1980 koopt de man een stuk grond voor ƒ 200.000,-- en draagt op 25 april 1980 de helft van het perceel over aan de vrouw voor ƒ 100.000,--. De vrouw betaalt dit bedrag echter niet aan de man. Tijdens het huwelijk bouwt de man een woning op het perceel en lost de man de hypotheek af. In het kader van de echtscheidingsprocedure wordt het huis en de grond verkocht en levert dit ƒ 1.400.000,-- op. Omdat de woning gemeenschappelijk eigendom is, heeft de vrouw recht op de helft van het bedrag. Bij de echtscheiding vordert de man wel dat de vrouw alsnog haar aandeel betaalt en ook de helft van de kosten voor het bouwen van de woning. Gelet op het voorgaande lijkt het logisch dat de vrouw dit zou moeten betalen. De Hoge Raad vond echter van niet, omdat de man had voldaan aan een natuurlijke verbintenis.

De man was moreel verplicht geweest om de helft van de aankoopwaarde en de bouwkosten voor de vrouw te voldoen. De redenen hiervoor waren dat de vrouw destijds geen geld had om de aankoopsom en de kosten te betalen, zij bij het trouwen haar baan heeft opgezegd, zij een langere periode in het bedrijf van haar man werkzaam is geweest, zij de kinderen heeft opgevoed en zij na de echtscheiding geen vermogen heeft waardoor zij in haar eigen onderhoud kon voorzien. Als deze omstandigheden zich voordoen dan is er volgens de Hoge Raad over het algemeen sprake van een natuurlijke verbintenis indien de man (een deel van) de woning van de vrouw betaalt.

Dit uitgangspunt kan door de partijen worden weerlegd. De Hoge Raad noemt in het arrest enkele situaties waarin dit het geval kan zijn. De eerste situatie is als partijen overeenkomen dat de vrouw de aankoopsom en de kosten op een later tijdstip terug zal betalen. In het tweede door de Hoge Raad genoemde situatie, is het geval dat partijen een gescheiden boekhouding bij houden. Het lijkt erop dat de Hoge Raad eigenlijk wil zeggen, dat als echtgenoten op huwelijkse voorwaarden zijn gehuwd zij zich er ook naar dienen te gedragen. Het enkele feit dat partijen nooit gewild hebben dat er een natuurlijke verbintenis zou ontstaan en zij dit ook zo hebben afgesproken, is niet voldoende om te voorkomen dat er toch een natuurlijke verbintenis zal ontstaan.