Nieuwe regels voor het concurrentiebeding op komst!?

beheer

Op 5 oktober 2004 heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel aangenomen over het concurrentiebeding. Hieronder zullen globaal enkele aspecten van het wetsvoorstel worden besproken. Let wel: het is een wetsontwerp dat goedgekeurd is door de Tweede Kamer. Het voorstel moet natuurlijk eerst nog door de Eerste Kamer. Het is dus nog even afwachten voordat wij weten hoe één en ander in definitieve vorm eruit komt te zien, zeker gezien de vragen die vanuit de rechtspraktijk zijn gerezen.

Zoals ook uit de huidige regelgeving blijkt, moet een concurrentiebeding allereerst altijd schriftelijk zijn overeengekomen. Het voorstel stelt als nieuwe eis dat in de toekomst ook in het beding uitdrukkelijk het geografisch en functioneel bereik van het concurrentieverbod wordt vermeld. Dit betekent dat zowel het gebied waarin de werknemer niet werkzaam mag zijn, als de aard van de werkzaamheden waarop het beding betrekking heeft, zeer nauwkeurig moeten worden omschreven. Dit heeft weer tot gevolg dat, indien de werknemer in de loop van de tijd andere werkzaamheden gaat verrichten, het concurrentiebeding opnieuw zal moeten worden overeengekomen. Nieuw is dat de duur van de werking van het concurrentieverbod in het wetsvoorstel wordt beperkt tot een jaar. Ook nieuw is dat het voorstel bepaalt dat het concurrentiebeding vervalt ingeval van faillissement van de werkgever. Verder vervalt het concurrentiebeding ook in het geval dat de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd tijdens de proeftijd. De achterliggende reden hiervan is eenvoudig: de proeftijd - maximaal 2 maanden - zal in de meeste gevallen te kort zijn om de werknemer als ‘concurrentiegevaarlijk’ te beschouwen. Tot zover niets schokkend, zou men kunnen zeggen. 
De meest omstreden en vanuit de werkgeverslobby meest bestreden wijziging is de introductie van de ‘billijke vergoeding’. Het voorstel bepaalt namelijk dat de werkgever verplicht is aan de werknemer een billijke vergoeding te betalen bij het einde van de arbeidsovereenkomst voor elke maand dat de beperking (door het concurrentiebeding) duurt. Die verplichting en de vergoeding moeten ook nog eens in het concurrentiebeding zijn opgenomen. Die vergoeding moet zelfs betaald worden als de werknemer iets heel anders gaat doen dan waarop het concurrentiebeding betrekking heeft. De achterliggende gedachte hierbij is dat de werkgever van tevoren goed moet bedenken of hij een werknemer wel wil binden aan een concurrentiebeding. Met andere woorden: de wetgever wil hierdoor ‘onnodige’ concurrentiebedingen voorkomen. Indien u wilt weten wat de regering nu in gedachte heeft gehad bij de hoogte van die ‘billijke vergoeding’ moet ik u teleurstellen. Daarover is niets bruikbaars gezegd tijdens de behandeling van het wetsvoorstel.
Wel geeft het wetsvoorstel enkele gevallen aan waarin de werkgever geen vergoeding is verschuldigd. Dit is bijvoorbeeld het geval indien de werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan een dringende reden, die tot een rechtsgeldig ontslag op staande voet heeft geleid of die ertoe heeft geleid dat de rechter op die grond de arbeidsovereenkomst heeft ontbonden. Ook zal geen vergoeding verschuldigd zijn, indien de werkgever uiterlijk bij gelegenheid van de opzegging door de werknemer aan de werknemer kenbaar heeft gemaakt geen beroep te zullen doen op het concurrentiebeding. Ook na de opzegging kan, met hetzelfde gevolg, de werkgever te kennen geven geen beroep te zullen doen op het concurrentiebeding, maar dan moet de werknemer er wel mee instemmen dat de plicht om de vergoeding te betalen komt te vervallen. Echter, indien de werknemer op onredelijke gronden zijn instemming onthoudt, dan kan de rechter op verzoek van de werkgever op die grond het concurrentiebeding vernietigen, met als gevolg dat de werkgever de vergoeding niet hoeft te betalen. Tenslotte kan de werkgever nog onder de vergoeding uitkomen, indien hij, in het geval van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, de werknemer ten minste een maand voor het einde van die bepaalde tijd aangeeft dat hij geen beroep op het concurrentiebeding zal doen. In het aangenomen wetsvoorstel blijft overigens de mogelijkheid onveranderd voor de werknemer om de rechter te vragen het concurrentiebeding te vernietigen, in het geval dat de werknemer ‘onbillijk’ wordt benadeeld bij instandhouding ervan. Overigens: de rechter kan de vergoeding wel altijd verhogen of verlagen indien de rechter dat, zo het voorstel luidt, ‘billijk voorkomt’.
Tenslotte nog het volgende. Niet zelden wordt in plaats van een concurrentiebeding ook wel een zogenaamd ‘relatiebeding’ overeengekomen tussen de werkgever en werknemer. Hierin is het verbod vervat voor de werknemer om de klanten van de werkgever te benaderen. Een dergelijk beding wordt niet gezien als een concurrentiebeding in de zin van het wetsvoorstel. 
Ter afsluiting nog het volgende. Elke afspraak tussen de werkgever en de werknemer dat in strijd is met de nieuwe regels is nietig, met als gevolg dat er geen rechtsgeldig concurrentiebeding is overeengekomen, zodat er in het geheel geen concurrentiebeding is overeengekomen. 
Als laatste: volgens het aangenomen wetsvoorstel zal de nieuwe wet alleen van toepassing zijn op concurrentiebedingen die tot stand zijn gekomen na inwerkintreding van de wet.
Het is wachten op de Eerste Kamer. Wordt vervolgd!