Is it all in the game?

mr. W.A.L.D.I van Slagmaat
mr. W.A.L.D.I van Slagmaat

In deze column zal ik een juridische kwestie behandelen, die zowel het civiele recht als het strafrecht betreft: de vraag of een deelnemer aan een sport of spel onrechtmatig heeft gehandeld door een gedraging als gevolg waarvan aan een andere deelnemer letsel is toegebracht.

De Hoge Raad heeft daarover op 28 maart 2003 twee interessante uitspraken gedaan. In de ene zaak ging het om het volgende.

Tijdens een wedstrijdspel moest men zo snel mogelijk en zonder daarbij nat te worden een te water gelegen hindernisbaan afleggen en een aan de waterkant geplaatste bel luiden. Direct nadat deelnemer A zijn wedstrijd succesvol had voltooid, wordt hij door de deelnemers B in het water gegooid, waardoor deelnemer A letsel op loopt en schadevergoeding vordert op grond van onrechtmatige daad.

Om vast te stellen of er in dergelijke gevallen sprake is van een onrechtmatige daad hanteert de Hoge Raad het volgende criterium: de vraag of een deelnemer aan een sport of spel onrechtmatig heeft gehandeld moet minder snel bevestigend worden beantwoord dan wanneer die gedraging zich niet in een sport- of spelsituatie zou hebben voorgedaan. De reden daarvan is dat de deelnemers aan die sport of dat spel in redelijk tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen waartoe die activiteit uitlokt of die daarin besloten liggen, van elkaar moeten verwachten.

Daarbij geldt tevens dat de verhouding tussen deelnemers niet direct ophoudt te bestaan op het moment dat het spel of die sport op grond van de regels eindigt. Een (korte) tijd daarna kan het feit dat partijen zo-even nog met elkaar hebben gewedijverd of in een spelsituatie waren verwikkeld, de verwachtingen die zij van elkaar mogen of moeten hebben, blijven beïnvloeden. Een en ander wel afhankelijk van de aard van die activiteit en de verdere omstandigheden van het geval. Ik kan mij zo voorstellen dat indien de ene bokser de andere nog een vuistslag geeft direct na het stilleggen van de bokswedstrijd door de scheidsrechter, dit nog als een toegestaan en niet onrechtmatig gevolg van het sportelement is te beschouwen. Gebeurt dit een half uur na de wedstrijd, dan is hiervan uiteraard geen sprake meer.

Kort gezegd: Hoort de gedraging die tot schade lijdt bij het sport of het spel c.q. is het daar een te verwachten uitvloeisel van? In het bevestigende geval is van een onrechtmatige daad geen sprake. Dit criterium is te beschouwen als een verhoogde drempel van aansprakelijkheid.

De Hoge Raad heeft de hiervoor aangehaalde zaak terugverwezen naar het Gerechtshof, met name met de instructie om te vast te stellen of het in het water gooien van deelnemer A door deelnemers B op het moment waarop zij dit deden (nog) in de lijn der verwachting van het spel lag en/of dit als een zogeheten gevaarlijke gedraging valt aan te merken.

In de andere zaak ging om het volgende. De feiten: tijdens een trainingsuur van de Koninklijke Nederlandse Schaats Bond (KNSB) is een schaatser druk doende om ‘uit te rijden’, terwijl een andere schaatser bezig is met een snelheidsoefening en beide schaatsers op verschillende, door de KNSB daartoe aangewezen, gedeelten van de baan rijden. De schaatser die bezig is met de snelheidsoefening komt ten val en raakt vervolgens in botsing met de ‘uitrijdende’ schaatser. 
De Hoge Raad heeft in deze kwestie geoordeeld dat er geen sprake is van een onrechtmatige daad, omdat de hiervoor genoemde verhoogde drempel van aansprakelijkheid nog steeds gold.

Er zijn, dat zal duidelijk zijn, tal van discutabele gevallen te bedenken. Het zal telkenmale afhankelijk zijn van de feiten en omstandigheden van het geval die al dan niet tot aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad lijden. Ter indicatie enkele voorbeelden.

Basketballer A passeert in een weergaloze dribbel, met veel gevoel voor show, drie tegenstanders en wordt vervolgens door een vierde tegenstander B, vlak voor het maken van een dunk, opzettelijk vastgehouden waardoor hij ten val komt. Basketballer B erkent basketballer A, uit frustratie voor het te kijk zetten van zijn teamgenoten, doelbewust te hebben vastgepakt met het doel om hem ten val te brengen, althans te stoppen. Basketballer A loopt een gebroken arm en een lichte hersenschudding op, waardoor hij enkele dagen niet kan werken. Is basketballer B hiervoor aansprakelijk? Op grond van het door de Hoge Raad gehanteerde criterium ben ik van mening van niet, omdat een dergelijke op zich ongeoorloofde handeling te beschouwen is als een actie die in ‘het heetst van de (wed)strijd is begaan’.

Echter, een kleine wijziging levert al een ander beeld op. Basketballer B houdt basketballer A niet vast, maar tackelt hem opzettelijk op grove wijze waardoor deze ten val komt. De rest van de geschetste feiten blijft hetzelfde. Is basketballer B nu aansprakelijk? Het zou kunnen dat basketballer B nog steeds niet aansprakelijk is voor zijn gedraging, omdat deze nog steeds op te vatten is als een uitvloeisel, risico, van het uitoefenen van de sport basketball. Anderzijds is het tackelen van een tegenstander bij het basketball niet echt te beschouwen als een handeling die bij het spel hoort. Het vastpakken van een tegenstander daarentegen valt daar waarschijnlijk wel onder te verstaan.

Wat te denken van bijvoorbeeld een opstootje/vechtpartij bij een rugbywedstrijd of sterker nog, bij een ijshockeywedstrijd, bij welke laatste sport een vechtpartij schering en inslag is en min of meer als bij het ijshockey behorend wordt geacht te zijn.

In een hoger beroepszaak heeft het Gerechtshof Arnhem zeer recentelijk een verdachte in hoger beroep veroordeeld voor het plegen van mishandeling van een tegenstander tijdens een voetbalwedstrijd. De mishandeling bestond uit het op grove wijze neerhalen van die tegenstander waardoor deze (zwaar) letsel, onder andere een gecompliceerde beenbreuk, op liep. De gedraging werd door het Gerechtshof dus niet beoordeeld als een ‘normale, te verwachten, overtreding’, die hoort bij het voetbalspel. Ik verwacht dat het slachtoffer in deze zaak, met het strafrechtelijke vonnis in de hand, weinig problemen zal hebben om civielrechtelijk de onrechtmatige daad aan te tonen.

Indien het slachtoffer de dader(s) aanspreekt, dan dient verder niet uit het oog verloren te worden dat de Wettelijke Aansprakelijkheidsverzekeraar weleens haar dekking terzake van het betreffende voorval zou kunnen uitsluiten. Dit vanwege de ‘eigen schuld’, gelegen in de opzet, van de verzekerde. De verzekerde, eigenlijk de op dat moment niet verzekerde, zal dan zelf volledig voor de schade op dienen te draaien. Een niet te verwaarlozen bijkomstigheid.

Of het ‘all in the game is’ zal dus per geval dienen te worden bepaald. Zeker tot het moment dat er dienaangaande wat meer uitspraken zullen zijn gewezen. Hoe het ook zij, om je te houden aan de regels van ‘fair play’ is in ieder geval nooit weg. Het is en blijft immers maar een spelletje.