De Gelukzoeker

mr. W.A.L.D.I van Slagmaat
mr. W.A.L.D.I van Slagmaat

Alweer ruim 16 jaar ben ik advocaat. In mijn beginjaren heb ik enkele keren meegemaakt dat een werknemer zelf, terwijl hij al een nieuwe baan in het vooruitzicht had (en het dus in de lijn der verwachtingen zou liggen dat hij de arbeidsovereenkomst zou opzeggen), bij de Kantonrechter ontbinding van de bestaande arbeidsovereenkomst verzocht, onder toekenning van een ontbindingsvergoeding, welke vergoeding vervolgens ook nog vaak werd toegekend. "Niet geschoten is altijd mis" moet menig werknemer hebben gedacht. Tegenwoordig zal dat niet zo snel meer lukken. Terecht naar mijn mening.

Indien een werkgever en werknemer onderhandelen in een arbeidsconflict over onder meer de afvloeiingsregeling vraagt de advocaat van een werkgever vaak de werknemer schriftelijk te laten verklaren dat hij nog geen andere baan heeft gevonden of concreet uitzicht op een nieuwe baan heeft. Verklaart de werknemer in strijd met de waarheid en komt de waarheid later boven water, dan bestaat het risico dat de werknemer de eventueel door hem ontvangen ontbindingsvergoeding (of een deel daarvan) aan de werkgever zal moeten terugbetalen. Er zijn al uitspraken bekend, waarbij de werknemer de ontbindingsvergoeding dient terug te betalen, omdat hij uit zichzelf niet had verteld al een andere baan te hebben gevonden, zelfs zonder dat daarnaar door de rechter of de advocaat van de werkgever was gevraagd. Met andere woorden: de werknemer heeft hier een informatieplicht. De relevantie ligt er natuurlijk in dat, als de werknemer al wel een andere baan heeft gevonden, de kans zeer groot is dat de werknemer geen of een veel lagere afvloeiingsregeling zal worden toegekend dan in het geval de werknemer een onzekere periode van werkloosheid tegemoet gaat. Immers, de ontbindingsvergoeding dient er voor om een werknemer in enige mate tegemoet te komen in de inkomensachteruitgang als gevolg van zijn werkloosheid.

Het is overigens niet alleen de werkgever die ontbinding kan vragen, maar ook de werknemer zelf, zij het dat dat in de praktijk in veel mindere mate gebeurt. Indien het de werknemer is die de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een vergoeding vraagt, wordt dit wel kritisch bekeken door de rechter en natuurlijk ook door de advocaat van de werkgever. De rechter zal zichzelf allereerst de vraag stellen of hij hier te maken heeft met een "gelukzoeker" of niet. In het eerste geval zal geen of een veel lagere ontbindingsvergoeding worden toegekend dan te doen gebruikelijk op grond van de kantonrechtersformule. Zo ook in een recent geval.

De werknemer, bijna 50 jaar oud, was al sinds 1986 bij zijn werkgever in dienst als Account Sales Manager. De werknemer functioneerde altijd naar behoren en de verhouding met de directie was goed te noemen. Begin dit jaar stelde de werknemer bij zijn werkgever aan de orde dat hij in zijn functie onvoldoende bevrediging vond en overwoog om een eigen bedrijf te beginnen. De werkgever vond dit jammer en deed de werknemer een aantrekkelijk financieel voorstel als hij tenminste tot eind oktober van dit jaar wilde blijven werken. Tot verbijstering van de werkgever gaf de werknemer aan een en ander een geheel andere draai en stelde vervolgens dat hij door de houding van de werkgever gedwongen werd om een eigen bedrijf te beginnen. De werknemer vroeg vervolgens aan zijn werkgever om een vergoeding van 12 maandsalarissen en gaf daarbij aan dat, als het tot een juridische strijd zou komen, hij recht zou hebben op 20 tot 30 maandsalarissen. Men kan zich voorstellen dat de houding van de werknemer leidde tot een ernstig conflict. Het was vervolgens de werkgever die aan de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst vroeg.

De kantonrechter vond allereerst dat de werkgever geheel niet verwijtbaar had gehandeld. Daarentegen stelde de rechter dat de werknemer wel een verwijt kon worden gemaakt, nu hij geheel niet in overleg met de werkgever wilde treden over het gedane voorstel, maar plompverloren aangaf dat hij voor zichzelf wilde beginnen en daarbij ook nog een hoge afvloeiingsregeling wenste. De rechter stelde vast dat de werknemer hiermee als een "gelukzoeker" moest worden gekwalificeerd, die eerst zijn vertrek forceert om vervolgens met een goed gevulde bankrekening een eigen bedrijf te beginnen. De kantonrechterformule achtte de rechter niet geschreven voor een dergelijke situatie. Desondanks kreeg de werknemer toch nog een vergoeding van € 10.000,-- bruto, ongeveer 2,5 maandsalarissen, toegekend. Dit was overigens wel tien keer minder dan de uitkomst van de kantonrechterformule. De gelukzoeker werd uiteindelijk niet beloond.