Contractovername

beheer

Het komt in de praktijk nog wel eens voor: een contract tussen twee partijen wordt door een derde partij overgenomen. Vaak is hier niets mis mee, maar soms kan een simpele contractovername wel grote financiële gevolgen hebben. Een voorbeeld: een jonge ondernemer start een eigen bedrijfje. Als eenmanszaak gaat het hem voor de wind. Na enkele jaren adviseert zijn accountant om een besloten vennootschap (B.V.) op te richten en de onderneming als B.V. voort te zetten. Het huurcontract dat de ondernemer heeft gesloten staat op zijn naam en hij is persoonlijk hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de huur. Zijn koopwoning en zijn inboedel kunnen zelfs als verhaalsobject dienen indien hij de huur niet betaalt. De ondernemer vraagt aan de verhuurder om in het vervolg de huurfactuur op de naam van de B.V. te zetten. “Dat moet van de boekhouder en anders mag er niet worden betaald” wordt erbij gezegd. Dit is uiteraard volslagen kul, maar menig verhuurder ziet niet in dat het inwilligen van het enkele verzoek tot wijziging van de tenaamstelling kan leiden tot de conclusie dat de B.V. de huurovereenkomst heeft overgenomen. Gevolg hiervan is dat de ondernemer privé niet meer als huurder optreedt. Als de B.V. nadien de huurpenningen niet meer betaalt, is de ondernemer persoonlijk niet meer aan te spreken. Een eventueel faillissement van de B.V. betekent dus ook dat de privé-goederen van de bestuurder van de B.V. (de eigenaar van de voormalige eenmanszaak) niet voor verhaal vatbaar zijn.

Kan het dan anders? Ja, is hierop het simpele antwoord. Een contractpartij die door de andere contractpartij wordt gevraagd om de tenaamstelling van de facturen te wijzigen dient zich terdege bewust te zijn dat er wat aan de hand kan zijn. De contractpartij is niet gehouden om mee te werken aan de overgang van alle tot die rechtsverhouding behorende rechten en plichten. Sterker nog, zeker bij langlopende verplichtingen kan de contractpartij aan wie wordt gevraagd om in te stemmen met een contractoverneming, eisen stellen. Zo is het verstandig om financiële waarborgen te verlangen van de oorspronkelijke contractpartij. Indien de overnemende partij failliet gaat, valt er in ieder geval nog wat te verhalen op de oorspronkelijke contractant. Het klinkt wat theoretisch maar het navolgende voorbeeld maakt het duidelijk. Een huurcontract voor internetapparatuur is gesloten tussen de leverancier en een computerbedrijf, die de apparatuur nodig heeft voor een van haar bedrijfsactiviteiten. Na enkele maanden wordt als gevolg van een reorganisatie bij dit computerbedrijf besloten om de internetactiviteiten af te stoten. Een ander, kort daarvoor opgericht bedrijf is bereid deze activiteiten over te nemen. Uiteraard wordt één en ander in brieven aan de verhuurder uit de doeken gedaan door zowel het computerbedrijf, als de overnemende partij, waarna een verzoek volgt om de tenaamstelling en de adressering van de toekomstige facturen te wijzigen. Hieraan wordt (helaas) gevolg gegeven. Na enkele maanden blijkt de overnemende partij niet langer levensvatbaar. Het faillissement volgt zelfs. De curator meldt vervolgens dat de crediteuren naar verwachting geen enkele betaling tegemoet kunnen zien. Een grote strop voor de verhuurder. Had hij zijn oorspronkelijke huurder als contractpartij ‘vastgehouden’ of eventueel in het kader van de contractovername een waarborg bedongen van de oorspronkelijke huurder, dan was het wellicht niet zover gekomen. Een kleine, goed bedoelde ondernemersbeslissing met grote nadelige gevolgen!

Zo ziet u maar. Verzoeken om naamswijziging van facturen, ook al lijkt de wijziging minuscuul, moeten kritisch en zorgvuldig worden behandeld. Voordat de ondernemer het weet, heeft hij te maken met een andere contractpartij.