Gerechtelijke procedures in het verenigingsrecht gaan vaak over beëindiging van het lidmaatschap door de vereniging. Onderscheid moet daarbij worden gemaakt tussen opzegging of ontzetting (royement). De beëindiging van het lidmaatschap door de vereniging leidt  nogal eens tot geschillen. Het gewezen lid tracht het besluit tot beëindiging aan te tasten omdat aan de totstandkoming van het besluit tot opzegging of ontzetting gebreken kleven, dan wel omdat dit besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Er bestaat verschil tussen opzegging door de vereniging en ontzetting. Van oudsher wordt ervan uitgegaan dat ontzetting een ‘straffend’ of ‘onterend’ karakter heeft en opzegging niet.

Een lidmaatschap van een vereniging dat eindigt door royement heeft een onterend karakter. Het is een tuchtrechtelijke maatregel waarbij, anders dan bij opzegging, procesrechtelijke grondbeginselen zoals strengere motiveringseisen, toepassen van hoor en wederhoor, inzage in stukken in acht worden genomen. De totstandkoming en inhoud van het besluit tot royement worden om die reden door de rechter streng beoordeeld. Opzegging heeft daarentegen geen onterend karakter. Het is een beleidsmaatregel (dan wel ordemaatregel) waartoe vaak wordt besloten om in de vereniging een ordelijk verloop te waarborgen.
De rechter toetst het besluit tot opzegging inhoudelijk slechts marginaal door zich af te vragen of redelijk oordelende mensen - gegeven de feiten en omstandigheden van het geval - tot eenzelfde besluit zouden zijn gekomen.

Wanneer sprake is van een grond tot ontzetting, bijvoorbeeld het op onredelijke wijze benadelen van de vereniging door wangedrag, zal dit echter vrijwel steeds ook een grond voor opzegging door de vereniging inhouden, omdat dan ‘redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren’. 

Een belangrijke overeenkomst tussen beide beëindigingsgronden is dat ze onmiddellijk een neutraliserend effect hebben. Het ontzette lid is na het besluit tot ontzetting van rechtswege geschorst. Opzegging door de vereniging heeft in dit geval tot gevolg dat het lidmaatschap onmiddellijk eindigt. Gedwongen opzegging is dus een snel middel om een lid uit de vereniging te zetten. Een dergelijke abrupte beëindiging van het lidmaatschap kan een onrechtmatige daad van de vereniging jegens het desbetreffende lid opleveren, bijvoorbeeld omdat de opzegging aanzienlijke consequenties heeft voor de bedrijfsvoering van het lid. 

Let op de termijn van intern beroep bij ontzetting uit het lidmaatschap:

Wettelijk uitgangspunt is dat het bestuur bevoegd is om tot ontzetting te besluiten. Het ontzette lid kan dan op grond van art 2:35 lid 4 BW tegen dit bestuursbesluit in beroep gaan bij de Algemene Vergadering of een ander orgaan of instantie die de statuten daartoe aanwijst. Een lid zal, op straffe van niet-ontvankelijkheid, eerst deze interne beroepsregeling moeten doorlopen voordat hij het besluit bij de rechter kan aanvechten. Vaak is die interne beroepstermijn een maand. Als binnen die termijn geen beroep is aangetekend is het besluit onherroepelijk. Dit interne beroep is er niet als het lidmaatschap wordt opgezegd door de vereniging. Zo bezien en afhankelijk van de voorwaarden omtrent opzegging die in de statuten staan, kan voor een vereniging de opzeggingsroute een snellere oplossing bieden dan ontzetting, met als belangrijke keerzijde minder bescherming voor het lid. 

Meer weten over verbintenissenrecht?



Wet- en regelgeving is dynamisch en kan dus continu veranderen. Graag wijzen wij u er dan ook op dat onze columns mogelijk niet meer aansluiten op de huidige wet- en regelgeving en dus verouderd kunnen zijn. Heeft u vragen of een probleem waarvoor u rechtsbijstand wenst, neemt u dan gerust contact met ons op.

vragen? bel gerust 030-6353432

Wij plaatsen functionele cookies om de website naar behoren te laten functioneren en voor het anoniem analyseren van bezoekgegevens.